De Twintigste Eeuw: Niemandsland van de Stadsgeschiedenis?
Om recht te doen aan de rijkdom en veelzijdigheid van het handboek van Friedrich Lenger, wil ik de komende periode een paar blogs schrijven over enkele, schijnbaar willekeurig uitgezochte onderwerpen en thema’s die me bij het lezen zijn opgevallen. Sommige zijn methodisch en/of theoretisch van karakter, zoals bijvoorbeeld de omgang met het begrip: moderniteit aan de hand waarvan het boek inhoudelijk gestructureerd is. Ik wil proberen duidelijk te maken hoezeer het Duitse, historische stadsonderzoek verweven is met stadssociologische benaderingen. Een ander onderwerp wat me buitengewoon boeide is dat van de ‘ Urbizid’ , een door Karl Schlögel bedachte term waarmee hij de doelbewuste ‘ moord’ op de stad niet zozeer in fysieke als wel mentaal-culturele zin bedoelt zoals die in het kader van de grote geopolitieke verschuivingen na de Tweede Werekldoorlog heeft plaats gevonden (Breslau, Königsbergen etc.). Lenger pakt het onderwerp op en geeft het zijn eigenlijke plaats in de geschiedschrijving van de vernietiging en wederopbouw van de stad tijdens en na de oorlog. Maar ik wil beginnen met een minder aangrijpend onderwerp, en dat is de manier waarop Lenger de literaire verbeelding inzet bij de beschrijving en analyse van tal van stedelijke fenomenen zoals migratie, suburbanisatie, woonomstandigheden en transport/verkeer. Juist op momenten waarop de lezer denkt: waarover gaat dit, hoe moet ik me het hier beschrevene concreet voorstellen, schiet Lenger te hulp met soms alleen een verwijzing naar maar soms ook letterlijke citaten uit romans en gedichten. Met andere woorden: in dit handboek neemt wat ‘ Duitse sociologen de Stadt im Kopf noemen, de mentale stad dus, die van de innerlijke beleving en perceptie’ (Leeke Reinders) een meer dan prominente plaats in. Ik wil dan ook laten zien dat het bij deze montages om iets meer gaat dan enkel de behoefte aan beschrijvende illustraties in de tekst. Maar dat de studie van de manier waarop stedelingen hun eigen omstandigheden en omgeving waarnemen en beoordelen, noodzakelijkerwijze vooraf dient te gaan aan de analyse van hun handelen en ingrijpen. Een goed voorbeeld hoe Lenger daarbij te werk gaat, is te vinden in hoofdstuk XII (S.463vv.) waarin de bouw van grootschalige woonensembles aan de rand van Europese steden in de jaren zestig van de vorige eeuw, centraal staat. Zoals in het hele boek, beperkt hij zich niet tot de westerse wereld, maar schenkt hij evenredig veel aandacht aan de ontwikkelingen in het Oostblok, waaronder ook in de DDR. Sprekend over een van de meest bekende, socialistische New Towns: Hoyerswerda-Neustadt, citeert hij uitvoerig uit de prachtige roman van Brigitte Reimann, FranziskaLinkerhandt (1971) waarover ik lang geleden zelf ook een proeve van bekwaamheid heb geschreven. Maar het meest overtuigt Lenger met de manier waarop hij de roman Sarcellopolis (1964) van de Franse schrijver Marc Bernard inzet bij zijn analyse en waardering van een van de meest bekende en beruchte Grands Ensembles van Parijs:Sarcelles. Daarover wil ik in mijn eerst volgende blok wat gedetailleerd op ingaan.
http://hsozkult.geschichte.hu-berlin.de/rezensionen/2014-2-198
zie ook de uitvoerige recensie van Lenger van het handboek van Osterhammel:
http://hsozkult.geschichte.hu-berlin.de/rezensionen/2009-1-210